 | In de 18de eeuw raakt de 'slangenmuur' in de mode. Bij Slot Zuylen hoort een 120 meter lange slangenmuur. Het is een van de best bewaarde exemplaren van Nederland. De muur ligt langs de toegangsweg en is vanuit vele kamers van het kasteel te bewonderen. | |
 | | Perziken groeien tegen de slangenmuur van Slot Zuylen. |
| Slangenmuur Een slangen- of slingermuur is een gebogen muur waartegen allerlei zuidvruchten zoals perziken, vijgen, abrikozen, maar ook leiperen kunnen groeien. Binnen de nissen heerst namelijk een microklimaat, waardoor ook s nachts de warmte nog blijft hangen. Bovendien is het moeilijke fruit nog beschermd tegen de wind, waardoor het veel beter kan rijpen. | |
| Steenbakkerij De toenmalige Heer van Zuilen, Diederik van Tuyll van Serooskerken, liet de muur in 1742 bouwen met stenen uit de eigen steenbakkerij. Door de ligging heeft de muur een opvallende en representatieve functie. In de loop van de 18de eeuw gaan buitenplaatseigenaren zich bezighouden met tuinieren: dit is een nieuwe trend. In de praktijk doen de tuinlieden het echte werk; de rijkelui pronken voornamelijk met hun tuin. De dochter van Diederik, Belle van Zuylen, vormt één van de uitzonderingen. | |
| Doe-het-zelf Belle trekt zelf met hark en spade de tuin in, maar blijkbaar was dit zeer ongebruikelijk voor een dame van stand dergelijke lichamelijke arbeid te verrichten! Want met haar enthousiasme wekt ze de ongerustheid van haar trouwe correspondent Constant dHermenches: |  | | De slangenmuur van Slot Zuylen. |
|
|
de nimf van de moestuin! Je zult vuurrood verbranden en onder de puisten komen te zitten, je tanden zullen uitvallen evenals je haar. Een mooie vrouw moet zo lang zo mooi mogelijk blijven en een waar genie als jij moet zijn gezondheid in acht nemen. Braassem, W.A., Een rebelle aan de Vecht. Slot Zuylen en zijn bewoners, Den Haag 1984, p. 23. | |
 | | De slangenmuur van Slot Zuylen vanuit Belle's kamer. |
| Liefde voor de tuin Belle heeft vanuit haar appartementje uitzicht op de slangenmuur, de tuin en het kerkje van Zuilen waar zij zelf in 1771 trouwt. Zij is dol op de tuin van Slot Zuylen.
| |
| Ik wandel elke ochtend een uur [door de tuin] voordat de zon de dauwdruppels heeft doen verdwijnen. Braassem, W.A., Een rebelle aan de Vecht. Slot Zuylen en zijn bewoners, s-Gravenhage 1984, p. 54. | |
| En zelfs in 1800, als Belle na haar huwelijk allang in Zwitserland woont, schrijft ze vol melancholie aan haar neef Willem-René: | |
| Je moet me eens vertellen of die prachtige eik er nog staat. Ik vraag het maar om het te weten
Schrijf mij bij gelegenheid eens over dit alles en pluk een paar wilde bloempjes voor me onder de oude eik, hondsdraf en zijn vrouwelijke gezelschap, een klein rood bloempje. Braassem, W.A., Een rebelle aan de Vecht. Slot Zuylen en zijn bewoners, Den Haag 1984, p. 54. | |
|