1800
1900
Bewaar pagina
COLLECTIE
Tabaksbladeren in een droogschuur

Alle gegevens
Bezoekadres
Voor de ingang van het Tabaksteeltmuseum in Amerongen ligt een kleine tabaksakker, omgeven door een bonenheg. In het museum is te zien hoe de tabaksbladeren worden gedroogd. Tezamen geeft dit een aardig beeld van de tabaksteelt: van zaad tot sigaar.
In het kort: ontstaansgeschiedenis van de Europese tabak
Bloeiende tabaksplant.
Broeikas

De tabaksboer liet elk jaar enkele tabaksplanten volgroeien zodat hij uit de rozegekleurde bloementrossen de rijpe vruchtdozen vol zaadjes kon plukken. In het daaropvolgende voorjaar werden de zaadjes op een nat lapje - hiervoor werd vaak een oude gebreide sok gebruikt - op een warme plek voorgekweekt. Al na een paar dagen schoten de zaadjes wortel. Deze gekiemde zaadjes werden vervolgens met fijn wit zand vermengd waarna ze op de bodem van een zogenaamde tabakskist werden gelegd. De bodem van deze broeibak was bedekt met verse, warme paardenvijgen, waardoor de plantjes sneller groeiden. De broeibak werd afgedekt door een houten raamwerk, dat was beplakt met door lijnolie ingesmeerd papier. Zo bleef het warm en broeierig in de tabakskist.

Akkers

Half mei - na de periode van nachtvorst - waren de kleine tabaksplantjes groot genoeg om in de volle grond op de akkers te worden geplant. Deze akkers waren zwaar voorbewerkt met schapenmest of duivenpoep uit de duiventillen van kasteel Amerongen.
In rijen werden de plantjes met grote tussenruimte geplant want soms konden ze wel meer dan een meter hoog worden, met bladeren van zo’n 50 cm lang. De tabaksplantjes hadden dus ruimte nodig.

De duiventil van Kasteel Amerongen.
Pronkbonenheg rondom een tabaksakker.
Windscherm
Door de grote bladeren waren de planten zeer windgevoelig. De akkertjes werden dan ook in perken opgedeeld (10 bij 20 meter). Deze perkjes of kamertjes werden door een hoge heg van bonenstaken tegen de wind omzoomd. Dikke takken waaraan nog zijtakken zaten prikte de boer naast elkaar in de grond. Onder aan de takken plantte hij pronkbonen die razendsnel tegen de takken opgroeiden waardoor een metershoge, dichtbegroeide heg ontstond. De pronkboon produceerde een soort grove snijbonen, ook wel tabaks- of Amerongse bonen genoemd. Deze bonen waren eetbaar en werden dikwijls door de boeren verkochten, wat voor extra inkomsten zorgde.
Het interieur van de Amerongse tabaksschuur.
Oogst

In juli en augustus begon de boer met het plukken van de onderste en grootste bladeren, maar het 'bestegoed' werd pas in september geoogst. Na de pluk werden de bladeren op karren naar de schuur gereden, waarna de tabak werd ingesneden. In een razend tempo maakte de boer in de dikke nerf een snee waarna een ander het blad aan een spijl reeg. Een spijl was een dunne, puntige stok van zo’n anderhalve meter lang waaraan 30 bladeren werden geregen. De bladeren mochten elkaar in verband met het droogproces niet aanraken. De spijlen werden vervolgens in de droogschuur opgehangen.

Drogen

Na vier tot zes weken waren de bladeren gedroogd. De duur was afhankelijk of het een warme of vochtige zomer was. Om te voorkomen dat de bladeren gingen rotten of schimmelen moest het drogen soms een handje geholpen worden door kleine vuurtjes te stoken in vuurpotten of manden. Als de bladeren droog waren, werden ze bijeengebonden in bossen en tot balen geperst. Dit zogenaamde opbossen was een secuur werkje omdat hierna nog een broeiproces moest plaatsvinden waardoor de bladeren geschikt waren voor verkoop. Dit broeiproces bevorderde namelijk de brandbaarheid van de tabak, kleur en kwam de smaak ten goede.
In november kochten sigarenfabrieken uit Veenendaal en Wageningen de voorraden op. De inlandse tabak werd vanwege de matige kwaliteit vooral verwerkt in de goedkopere merken.

Tabakkers met pakketten tabak voor verkoop.
In het kort: ontstaansgeschiedenis van de Europese tabak 

De Europese tabak is een erfenis van een zeiltocht die Columbus tijdens zijn ontdekkingsreis in 1492 maakte. Toen hij op Hispaniola (Haïti) voet aan wal zette, kreeg hij van de bevolking onder meer gedroogde bladeren aangeboden. Het was een geschenk waarmee hij zich geen raad wist. Later, op Cuba, zag hij hoe de bladeren opgerold en in brand gestoken werden. De Indianen dronken de rook, heette het. Dit rookdrinken sloeg weldra over naar Europa.

Een Franse gezant in Portugal, Jean Nicot, bemachtigde wat zaad van deze tabaksplant, die vervolgens nicotiana werd genoemd. Spoedig wist hij het Spaanse monopolie op de handel te doorbreken door contracten af te sluiten met Venezolaanse Indianen die de tabak voor veel minder geld leverden. In 1600 werd er via Amsterdam wel veertig keer meer van het goedje verhandeld dan via Spanje. Ondertussen ontplooiden Amsterdamse kooplieden initiatieven om ook inlandse tabak te gaan verbouwen. Na een mislukte poging in het Zeeuwse Veere sloeg de tabaksplant in Amersfoort als eerste aan.