Het woord ‘sceatta’ komt van ‘schat’. Het is de naam voor een type zilveren munt dat een belangrijke rol speelt in de vroeg-middeleeuwse Friese handel, vooral in het Noordzeegebied. De Friezen slaan de sceatta vanaf 670 tot ongeveer 750. Als de Franken het Friese gebied inlijven, verdwijnt de muntsoort. Het Friese handelsnetwerk wordt dan grotendeels door de Vikingen overgenomen.

Waarom sceatta's?
Kruis
Deze scaetta is gevonden op het Utrechtse Domplein. Er is aan de ene zijde een gekroond mannenhoofd op te zien en aan de andere kant een christelijk kruis met twee cirkels en een vliegende vogel erboven.
Het kerstenen van de Friezen had heel wat voeten in de aarde. Hierin was een belangrijke rol weggelegd voor Willibrord. Eerdere pogingen van zijn voorgangers liepen op niets uit.
Zilveren sceatta (achterzijde).
Wilfried en Aldgisl

In 678 reist de Angelsaksische Wilfried, bisschop van York en abt van het klooster Ripon, via Friesland naar Rome. Onderweg wordt hij gastvrij ontvangen door de Friese koning Aldgisl, die zijn hof heeft in Utrecht of Dorestad. Wilfried brengt bij de Friezen de winter door en krijgt zelfs toestemming het christelijk geloof te verkondigen. Mogelijk bekeert hij dan al vele Friezen. Maar in het voorjaar reist de bisschop verder naar Rome zonder de Friezen als volk te hebben bekeerd.

De heidense koning Radbod weigert de doop.
Wigbert en Radbod

Tien jaar later keert ook Wilfrieds landgenoot Wigbert onverrichterzake uit het land der Friezen terug. De missionaris is tegengewerkt door Aldgisls zoon en opvolger Radbod, die minder positief tegenover het nieuwe geloof staat dan zijn vader. Radbod is namelijk al eens bijna bekeerd door abt Wulfram van Fontenelle, die missie bedreef in Noord-Holland en op de Wadden. Met één been in het doopvont vroeg Radbod zich af of hij zijn voorouders in het hiernamaals ooit nog zou zien. Toen Wulfram hem verzekerde dat dit niet mogelijk was, omdat deze heidenen voor eeuwig verdoemd zijn, zag de koning van zijn bekering af.

Willibrord en Radbod

In 690, 12 jaar na zijn leermeester Wilfried, onderneemt Willibrord een poging de Friezen te bekeren. Met 12 metgezellen reist hij vanuit Ierland naar het vasteland. Zijn missiepogingen vallen samen met de gevechtshandelingen van zijn beschermheer Pippijn II, die Frisia citerior (Neder-Friesland) verovert op koning Radbod. Vanaf 695 is Willibrord gewapend met de titel ‘aartsbisschop onder de Friezen’, die hij ontvangt van paus Sergius. Na de dood van Pippijn verovert Radbod Utrecht echter opnieuw, en heidense tempels verrijzen naast de twee verwoeste kerken en het klooster van Willibrord.

De heilige Willibrord tot bisschop benoemd.

Na Radbods dood

Pas in 719, na de dood van Radbod, kan de nieuwe bisschop orde op zaken stellen. Karel Martel verovert het grootste deel van Friesland. Dan kan Willibrord pas werkelijk beginnen met de kerstening van de Friezen, iets wat na zijn dood door zijn opvolger Bonifatius en de monniken Liudger en Odulphus wordt voortgezet. Het lukt deze laatsten tenslotte om het heidendom enigszins terug te dringen, maar heidense gebruiken blijven in het volksleven nog tot in de 20ste eeuw bestaan.

Waarom sceatta's? 

In de Merovingische tijd komt muntgeld als betaalmiddel teug en verdringt langzamerhand de ruilhandel. In de zesde en zevende eeuw is handel drijven voor geld vooral een zaak van de elite, die betaalt met goudgeld. Tussen ongeveer 670 en 750 wordt daarnaast ook zilvergeld geslagen, waaronder veel sceatta's. Uitbreiding van de handel hiervan wellicht de oorzaak: er komt meer behoefte aan kleinere munteenheden.




Lees de verhalen over dit object